Verteldrang

Bij de wijnen van een bekende discounter kwam ik hem tegen. We hadden nauw samengewerkt in een cultureel project, enkele jaren daarvoor. Daarna zagen we elkaar zelden. Het was twee maanden nadat ik thuis gekomen was, een beetje slap nog, maar toch sterker dan sinds lang. Bijna vier maanden na de harttransplantatie. De wereld werd nog voorzichtig en schoorvoetend betreden en mensen buiten mijn directe kring ontmoette ik nauwelijks.

Bij de wijnen van een bekende discounter kwam ik hem tegen. We hadden nauw samengewerkt in een cultureel project, enkele jaren daarvoor. Daarna zagen we elkaar zelden.

Het was twee maanden nadat ik thuis gekomen was, een beetje slap nog, maar toch sterker dan sinds lang. Bijna vier maanden na de harttransplantatie. De wereld werd nog voorzichtig en schoorvoetend betreden en mensen buiten mijn directe kring ontmoette ik nauwelijks.

‘Hoe gaat het?’,vroeg hij. Gewoon zo’n vraag in het gangpad van een supermarkt. Daar sta je dan met je winkelwagen, in een samengebalde wolk van duizend gedachten en beelden. Wat ga ik zeggen? Enkele seconden valt alles stil. ‘Weet je wat er met mij gebeurd is?

‘Hoezo’? Hij kijkt vragend en verrast. Mijn woorden buitelen over elkaar als ik zomaar begin te vertellen, even alles om me heen vergetend. Hij onderbreekt me af en toe. ‘Joh, je meent het! Nee, dat wist ik niet…!. Als ik, me plotseling weer bewust van mijn omgeving, het lange verhaal nogal abrupt beëindig, blijft hij even stil. ‘Maar man, je ziet er wel ontzettend goed uit, hoor!’

Zomaar meegevoerd worden in je eigen verhaal; in die eerste tijd na de transplantatie is het me vaker overkomen. Zoals bij die aardige mevrouw in de bloemenwinkel waar ik altijd terecht kon voor materiaal voor de stillevens van de schilderclub. Leunend over de toonbank, terloops bij het afrekenen: ‘Bent u ziek geweest? We hebben u zo lang niet gezien.’

Weer zo’n moment; zeg ik het, of zeg ik het niet? Het is mijn verhaal, ik ben er vol van, ik wil het graag delen. Maar hier? In een winkel vol mensen die mij niet kennen en er niks mee te maken hebben?

Toch begon ik ter plekke te vertellen. De bloemenvrouw keek me met grote ogen aan. Wat moest ze zeggen, hoe moest ze reageren? Onthutst en van haar stuk gebracht stamelde ze een paar zinnen. Wat een onmogelijke scène in die winkel, met klanten die op hun beurt wachtten en tersluiks naar ons staarden. Met moeite maakten we ons los van het verhaal; ik rekende af en groette. Het had maar een paar minuten geduurd, maar voor mij stond de tijd dan gewoon even stil.

Nu, bijna twee jaar verder, begin ik er niet zo snel meer over. En zeker niet tegenover vage kennissen en temidden van vreemden.Toch wordt ik soms onverwacht weer voor een dergelijk dilemma geplaatst.

Zoals vorige week in het park waar ik de hond uitliet. Hij wandelde met z’n vrouw en een kleinkind langs het hek van het hertenkamp; ik ken hem van wederzijdse vrienden, maar zijn naam schoot me niet te binnen. We groetten, bleven even staan.

Hij keek me - zo leek het mij althans - aandachtig aan en stelde die vraag: ‘Hoe gaat het nu?’

Wat weet hij, flitste het door me heen. Weet hij ‘het’? Dat zou heel goed kunnen, gezien onze wederzijdse kennissen.

Dus zei ik stralend: ‘echt fantastisch!’. ‘Dit hart heeft een ander mens van me gemaakt.’

Hij keek me verbijsterd aan, blijkbaar wist hij van niks. Maar nu kon ik niet meer terug.

Had ik maar iets gezegd als ‘Goed hoor, zo z’n gangetje’, dan hadden we het daarna over de naderende lente kunnen hebben.

Nu mompelde ik een paar zinnen en hij knikte slechts. Het leek niet tot hem door te dringen; hij was overdonderd. Lang duurde het gesprek niet, want hij voegde zich al snel weer bij zijn vrouw, die al was doorgelopen met het kleinkind. Tja, dacht ik. Foutje? Niet echt…